Stelt u zich heel kort voor dat u een vis bent. Niks vermoedend, zwemt u naar boven om aan het wateroppervlak naar lucht te happen. Plotseling, in een flits, ziet u door de waterspiegel een enorme schaduw, twee grote flapvleugels, poten met grijpers die over het water skiën. Met een lompe zware klap wordt u aan de haak geslagen.
U mag hier afhaken in uw inleving als vis, want het wordt nog erger. Plotseling hangt de vis, die u net nog was, in de lucht, de rugwervel fijngeknepen door knokige klauwen. En spartelen heeft in die ijzeren greep al helemaal geen zin. Een krachtige knalgele papegaaienhaak scheurt met een ruk het schubbenvel en spieren stuk. Einde verhaal.

Voor de vis dan. Voor de zeearend, hoofdrolspeler in dit verhaal, begint het hier zo’n beetje. De bijnaam van deze waterroofvogel is de ‘vliegende deur’ vanwege zijn enorme rechthoekige vliegprofiel. Deze deur gaat hier zijn verhaal over de afgelopen eeuw vertellen. Het lijkt eerst op een ramp uit te monden maar op het eind zit er toch een blijde boodschap in. De vogel vertelt hoe wij dankzij een beetje gebruik van onze hersens weer vlakbij huis een arend kunnen zien. Maar eerst keren we terug naar het begin, zijn broodwinning.

De zeearend leeft voornamelijk van de visvangst en de vis moet daarvoor dood. Miljoenen vissen in de categorie tot acht kilogram zijn al in zijn poten gesneuveld op het slagveld dat mensen vaak bewonderend ‘de natuur’ noemen. Maar de vis zal zelf ook niet onschuldig zijn, want om groot te worden moest hij zelf ook vis eten. Dat samenraapsel van elkaar etende eters heet dan weer de voedselketen, onderdeel van de circle of life zoals in Disneyfilm The Lion King.

In die keten is de zeearend de absolute heerser. Er is geen beest dat hem lust, en geen vogel die hem de baas kan. Want de zeearend is lomp groot, met zijn meer dan twee meter grote vleugels en mensenhandgrote poten. Bovendien is hij nog sterk ook, sterk genoeg om een vos te vangen. Iets dat de weidevogelaars vast aanspreekt.

Maar als u dacht dat zijn formaat hem onkwetsbaar maakte dan heeft u het natuurlijk mis. Want groot zijn heeft nadelen als er geweren bestaan en je een trage makkelijke schietschijf bent. In de afgelopen eeuwen kreeg deze ‘snooden wreedaert’ er dan ook flink van langs. Zoveel, dat deze vliegende deur als algemene verschijning uit ons deltaland verdween, evenals uit de rest van de beschaafde wereld. (West Europa)

De arend trok zich terug in de fjorden van Noorwegen en Zweden, het land der Vikingen. Hier zou deze reuzenvisser misschien op waarde worden geschat, want de voorouders van de moderne Noren en Zweden vereerden de reuzenvogel. Sommige Vikinghoofdmannen lieten zich na hun dood zelfs met zeearenden cremeren. Niet allemaal, gelukkig.

Zijn positie als voedselketentopper speelde de vliegende deur ook daar parten. De zeearend eet zoals gezegd, veel vissen die veel vissen eten. In die vis zat in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw zoveel landbouwgif dat het vet van sommige arenden voor één procent uit zuiver bestrijdingsmiddel bestond, het bekende DDT. Lijdt de arend honger, bijvoorbeeld in het schaatsseizoen als er ijs ligt, dan teert de vogel op het vet en dat was toen niet zo gezond. Bij bosjes stierven ze af en voortplanten was er al helemaal niet meer bij.

Tot zover het standaardverhaal over de ecologische treurnis van de twintigste eeuw. Als u met enige regelmaat natuurseries kijkt zal dit scenario van uitstervende roofdieren bekend in de oren klinken. Met een licht gevoel van verveling zult u het misschien zelfs aanhoren. “Kunnen die natuurmensen nu ook eens iets positiefs laten horen”, denkt u misschien. “Of zijn het allemaal doemdenkers, die willen dat wij onze welvaart opgeven?”

Nee. Wat mij betreft neemt iedereen die terug wil naar de natuur de auto. Maar rij dan naar de Lauwersmeer. Want ze zitten er weer, de zeearenden, jaarlijks in steeds grotere aantallen. En ze zijn moeilijk over het hoofd te zien. De grote donkerbruine flapvleugels, het witte staartje, een enorm vogelsilhouet skiënd over het water of duikend achter een gans aan. Op de een of andere manier heeft de zeearend iets klaargespeeld waar massa’s andere kwetsbare diersoorten de afgelopen eeuw faalden.

Dit verhaal heeft dus een positieve draai en dit is te danken aan effectieve natuurbescherming. Het kostte een paar centen, maar hier werd vrij vlot duidelijk dat het geld niet over de balk was gesmeten. Natuurbeschermers van de Scottish Natural Heritage begonnen in de zeventiger jaren met het zogenaamde herintroduceren op een afgelegen eilandje. Want zo’n deur in de Schotse lucht had toch iets extra’s. Ze importeerden vogels uit het noorden van Noorwegen, het laatste bolwerk van de arend. De beide geslachten vonden elkaar zonder enige vorm van seksuele voorlichting en zetten het op een broeden.

De Duitsers deden hetzelfde als de Schotten, bewaakten de nesten met de bekende grundlichkeit en het project werd een succes. DDT-sproeien was inmiddels verboden en de zeearenden plantten zich ook hier onstuimig voort. Alleen al in Duitsland is hun aantal in tien jaar verdubbeld tot meer dan honderdvijftig paar. Inmiddels broeden weer zeearenden op honderd kilometer afstand van ons land in Sleeswijk Holstein.

Die paar kilometer naar Friesland overbruggen ze zelf wel zou u denken, met zulke vleugels. Het Wereldnatuurfonds dacht daar in 1996 anders over. Ze wilden de vliegende deuren als mooie aansprekende diersoort in Nederland uitzetten als reclame voor het eigen nobele werk.

Dat zou wel zonde voor het geld zijn. Niet alleen is bezigheidstherapie voor biologen met zendapparatuur duur, omdat ze fulltime achter deze vliegende otters moeten aanrennen. Het belangrijkste tegenargument is dat de zeearend Nederland zelf al koloniseert.

Jaarlijks overwintert er een tiental en steeds vaker overzomeren er ook volwassen exemplaren. Dit laatste, zo leert ervaring in Duitsland en Polen, is een voorteken dat er eieren in de lucht hangen.

Het Wereldnatuurfonds hoeft haar uitzetvergunning van het ministerie dus niet te gebruiken en heeft er inmiddels vanaf gezien. Binnen tien jaar zal de zeearend op eigen kracht volledig inburgeren en zelf een hoge Hollandse boom vinden om in te broeden. Daarmee hebben we weer een fantastische diersoort erbij die aantoont dat niet alle natuur even kwetsbaar is. Grote diersoorten kunnen best in ons drukke land leven, zolang we maar geen domme dingen doen. Als dat niet hoopvol en positief klinkt?