Directe aanleiding voor het schrijven van dit artikel is een waarneming van een witte meerkoet afgelopen voorjaar in de omgeving van Franeker. Zowel de Vogelwacht als de media werden benaderd over dit opvallende verschijnsel.

Kleurafwijkingen in de natuur zijn zeldzaam. Dit geldt ook voor vogels. Nu is het normale verenkleed van vogels ook niet altijd exact hetzelfde. Enige variatie is als een normale uiting te beschouwen. Zo blijkt bijvoorbeeld dat de kleur bruin gaat verbleken voornamelijk door inwerking van licht.
De afwijkingen waar het hierover gaat, zijn echter genetisch bepaalde afwijkingen. Dit betekent dat een veranderd gen verantwoord is voor de kleurafwijking. Dit houdt ook in dat zo’n kleurafwijking in principe doorgegeven kan worden aan nakomelingen.

In de veer liggen de zogenaamde pigmenten, ook wel pigmentkleuren genoemd. Er zijn twee pigmentkleuren bekend, namelijk zwart en bruin. Het zwarte pigment wordt eumelanine genoemd en het bruine pigment heet feomelanine. Het zwarte pigment is voornamelijk geconcentreerd in en rond de schacht van de veer. Het bruine pigment is meer aan de rand te vinden. Gewoonlijk zijn beide pigmenten aanwezig. Soms is er slechts één aanwezig en soms zijn beide afwezig.

Naast deze twee pigmenten bestaat er nog een andere component. De kleuren geel en rood worden lipochroomkleuren genoemd, omdat ze in lipiden(vetten) oplosbaar zijn. Zij kunnen al of niet afzonderlijk voorkomen , maar ook afwezig zijn. In dit laatste geval is de grondkleur wit zoals bij de merel en de meerkoet. Grondkleuren zijn soms moeilijk te zien doordat ze geheel of gedeeltelijk gemaskeerd worden door de pigmenten, de melaninen. Bij veel vogels treden verschillende combinaties grondkleuren op, zoals bijvoorbeeld bij de grote bonte specht, de goudvink of de putter.

De structuurkleuren worden veroorzaakt doordat de veer een dusdanige structuur heeft dat het licht verstrooid wordt. Het blauwe deel van het lichtspectrum wordt dan meer terug gekaatst. Op een witte ondergrond blijft dit blauw onveranderd, maar op een gele ondergrond wordt het groen zoals voorbeeld bij de groenling.

Een erfelijke afwijking in de kleur wordt veroorzaakt doordat een gen veranderd is. Dit veranderen gebeurt altijd plotseling en wordt een mutatie genoemd. De vogel die zo’n gemuteerd gen-uiterlijk laat zien wordt een mutant genoemd. Deze zijn echter altijd zeldzaam.

Albinisme kenmerkt zich door het volledig wegvallen van alle pigment, óók in het vaatvlies van de ogen. Albinisme is bij vogels met een witte grondkleur te verklaren uit de veranderingen van één enkel gen. Veel waarnemingen van albinistische vogels zijn hoogstwaarschijnlijk waarnemingen van vogels die echter zwarte ogen hebben. Dat zijn dus geen echte albino’s, want ze hebben nog pigment in het vaatvlies van de ogen. In wezen zijn deze vogels bont, dit wordt ook wel gedeeltelijk albinisme genoemd. Albinisme en gedeeltelijk albinisme wordt ook waargenomen bij kieviten. De waarneming wordt vaak gedaan tijdens de vlucht door de opvallende witte slagpennen. Verder wordt albinisme ook waargenomen bij de zwarte kraai, de kauw, de scholekster, de ransuil, de huismus, de vlaamse gaai, de zanglijster, de fazant, de patrijs, de boerenzwaluw en de spreeuw. In 1879 werd er al een albino kievit waargenomen, deze is opgenomen in de verzameling van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden. Albinisme wordt algemeen beschouwd als een afwijking, omdat bij de meeste soortgenoten wel pigment aanwezig is

Minder pigment maakt de veer breekbaar. Alle mutanten vertonen sterker afgesleten veren dan bij hun normale soortgenoten. Dit gegeven maakt het voorspelbaar dat een mutant alleen al daardoor minder overlevingskansen heeft. Bij een mutant is er sprake van dat het vaatvlies in het oog minder pigment bevat. De functie van pigment is namelijk het dempen van het licht dat niet nodig is voor de beeldvorming. Naarmate er minder demping is, zal er sprake zijn van overstraling. Gevolg is dat het zien verminderd, pijn doet en er nagenoeg geen details worden waargenomen. Dit geeft een belemmering in het zoeken naar voedsel maar ook predatoren worden minder snel waargenomen. Het is bekend dat bijvoorbeeld sperwers een voorkeur hebben voor alles wat in kleur afwijkt. Uit onderzoek is gebleken dat vogels er moeite mee hebben om een mutant te accepteren als soortgenoot.

De bekendste albino is ongetwijfeld de gorilla Sneeuwklokje. Deze gorilla kon ouder worden dan normaal het geval is bij albino’s omdat hij leefde in een beschermde omgeving namelijk in de dierentuin van Barcelona.

De witte meerkoet die in het voorjaar van 2007 in Franeker is gespot, zal echter minder bekendheid genieten. Na enkele maanden is deze niet meer waargenomen….!