Naar aanleiding van het besluit van de Raad van State heeft ons bestuur de volgende brief naar het HB van de BFVW gestuurd.

Geachte bestuur van de BFVW,

Na de uitspraak van de Raad van State inzake het aaisykjen te hebben doorgelezen, zijn er een aantal vragen gerezen die we middels dit schrijven graag met u delen, inclusief inzichten (die wellicht bij elke aaisyker leven).

Naar onze mening is en blijft de hamvraag: heeft het aaisykjen een negatief effect op de populatie kieviten in Fryslân?  Of: als het aaisykjen wordt verboden, zal dit een positief effect hebben op de kievitpopulatie.

De kern van de negatieve uitspraak is dat de Raad van State van oordeel is dat het natuurlijk verspreidingsgebied kleiner is geworden; de kievit komt steeds minder voor op grasland.

Dat is inderdaad een feit, maar geen woord over een habitatverschuiving naar het maisland. Verder wordt in de uitspraak op geen enkele manier overwogen dat er een sterke koppeling is tussen eierzoeken (en –rapen) en nazorg, in combinatie met het feit dat de kieviten zich in Friesland grotendeels voortplanten op agrarisch industrielandschap, met allerlei landbewerkingen als gevolg waardoor de bescherming van legsels arbeidsintensief is. Ook de Raad van State gaat er kennelijk stilzwijgend van uit dat een verbod in Fryslân op eierrrapen een gunstig effect heeft op de populatie kieviten.

Uit de uitspraak kunnen wij niet opmaken dat het college van gedeputeerde staten van Fryslân (hierna: Fryslân) het positieve verband tussen aaisykjen en nazorg expliciet heeft opgenomen in haar “schriftelijke uiteenzetting” op het ingestelde hoger beroep van Faunabescherming. Mogelijk is dit wel opgenomen in het pleidooi van Fryslân voor de rechtbank Noord-Nederland, leidend tot het voor de aaisykers gunstige vonnis van 21 mei 2014 (zaak nr. 14/81). Aangezien dit vonnis ons niet bekend is (en niet vindbaar op Internet), kunnen we hier niet over oordelen.

In de Uitspraak verwijst de Raad van State meerdere malen naar de Habitatrichtlijn artikel 1, aanhef en i. In de Overwegingen, artikel 5.3 en 6.3:

“6.3. Zoals hiervoor onder 5.3 is overwogen, wordt ingevolge artikel 1, aanhef en onder i, van de Habitatrichtlijn de staat van instandhouding onder meer als gunstig beschouwd wanneer uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven. Daarnaast wordt ingevolge die bepaling de staat van instandhouding onder meer als gunstig beschouwd wanneer het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden.”

Echter de Habitatrichtlijnbepaling waar naar wordt verwezen, luidt iets anders: artikel 1e) staat van instandhouding van een natuurlijke habitat: de som van de invloeden die op de betrokken natuurlijke habitat en de daar voorkomende typische soorten inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de natuurlijke verspreiding, de structuur en de functies van die habitat of die van invloed kunnen zijn op het voortbestaan op lange termijn van de betrokken typische soorten op het in artikel 2 bedoelde grondgebied.

De “staat van instandhouding” van een natuurlijke habitat wordt als “gunstig” beschouwd wanneer:

– het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen, en

– de voor behoud op lange termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en

– de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is als bedoeld in letter i);

Op basis van deze definitie kan de natuurlijke habitat van de ljip in Fryslân weliswaar niet als gunstig worden beschouwd. (Het valt immers moeilijk te ontkennen dat de kievit steeds minder op grasland voorkomt, echter de tweede voorwaarde (voor behoud bestaan specifieke structuur en functies) is wel degelijk zeer prominent aanwezig; namelijk de lokale netwerken van aaisykers/nazorgers en boeren.

Zelfs als de natuurlijke habitat niet als gunstig kan worden getypeerd, dan is de vraag of het verstandig is, op basis van alleen dit gegeven, en de daaraan gekoppelde terugloop van de kievitenpopulatie,  om het aaisykjes te verbieden. Waarom is dit een vraag? Omdat de natuurlijke habitat dan versneld nog ongunstiger wordt wegens het dan optredende uitsterfmodel van de nazorg: door verbod om te eierzoeken komt de jeugd van tegenwoordig niet meer spelenderwijs toe aan de cyclus polsstok/slootje springen, eierzoeken, nazorgen. Dit mede door de verdigitalisering van de maatschappij waardoor rechtstreekse kennismaking en ervaring met de natuur wordt vervangen door een oppervlakkig beeldscherm-waarnemen. Passieve natuurbeleving zal niet snel leiden tot actieve deelname aan nazorg. Anders gezegd, sterke vergrijzing nazorgers en weinig tot geen aanwas jonge nazorgers.

Tot slot, in 6 van de Uitspraak geeft Faunabescherming zelf ook impliciet aan dat (1) aaisykers niet de reden zijn voor de teruglopende kievitpopulatie en (2) dat boerenland zonder nazorgers een bedreiging is voor de kievit:

“Het kleiner worden van het verspreidingsgebied van de kievit volgt niet alleen uit de daling van de kievitenpopulatie in Friesland, maar vooral ook uit de omstandigheid dat de kievit zich terugtrekt in beschermd gebied, waar hij niet bedreigd wordt door bepaalde landbouwtechnieken en waar niet geraapt mag worden.”

Wij wensen u veel succes om het aaisykjen weer als onmisbaar nazorgonderdeel legitiem te krijgen. Naar onze mening moet in dezen het behoud van de traditie op geen enkele manier als argument worden opgevoerd (want dit is geen sterk argument en werkt contraproductief), maar wel het behoud van de kievit voor de Fryske greiden.

Met vriendelijke groet,

Namens het bestuur van de Vogelwacht Franeker en omstreken,

Ids Schram, secretaris.

Tzummarum, 18 febr. 2015