De watersnip is een veel voorkomende broedvogel van natte gebieden in grote delen van de wereld. Als eierzoeker komen we ze in het voorjaar regelmatig tegen.

De lengte van een watersnip bedraagt 25-27 cm. (snavel 6-7 cm). en de vleugelspanwijdte 44-47 cm. De watersnip is duidelijk groter dan het bokje, maar minder massief dan de poelsnip met een iets langere snavel. Het is een middelgrote waadvogel; met strepen (in de lengterichting) op de kop, een donkerbruin verenkleed en een zekere maar grillige vlucht. De zijden zijn duidelijk gestreept de buik is wit en in de vlucht heeft de vleugel een duidelijk witte achterrand. De vlucht is zigzaggend en wordt lang doorgezet; dan valt de afwisseling tussen de witte buik en stuit en de gestreepte zijkanten en gevlekte borst sterk op. De staart zien men op dat moment als sterk gestreept met een kaneelkleurige vlek.

De broedhabitat strekt zich uit van de noordelijke koude streken tot in de gematigde zone, van het binnenland tot in de kustgebieden. Overal waar ondiep zoet, of brak water aanwezig is treffen we de watersnip aan.
Hoge of dichte vegetatie moet onderbroken worden door meer open stukken met pollen zegge, biezen en ruwe grassen. Deze begroeiing is kenmerkend voor ondiep water en een zachte bodem; een vereiste voor het zoeken naar voedsel. De zachte bodem bevat veel organismen vlak onder het oppervlak; de verhogingen in het terrein zorgen voor goede uitkijkposten voor naderend gevaar. Harde, droge grond en onbeschutte gebieden worden gemeden. In Nederland treft men de watersnip o.a. aan op drassige weiden, ongecultiveerd grasland en in natte duinvalleien. Buiten het broedseizoen wordt veelal dezelfde biotoop opgezocht.

Omtrent de aantallen ontbreken betrouwbare gegevens; het aantal broedparen in Engeland en Ierland wordt op geschat 80.000-110.000. In de Scandinavische landen op ruim 300.000 en in Nederland op ca 5.000 paren. Het totale aantal broedparen in N.W.- Europa bedraagt minstens een half miljoen. Op sommige plaatsen treedt door draineringen en andere cultuurmaatregelen habitatverlies op waardoor de aantallen iets teruglopen. In de westelijke kustgebieden van Europa, zoals Nederland, is de watersnip voornamelijk strandvogel. In de rest van het verspreidingsgebied is hij trekvogel. Het overwinteringsgebied strekt zich uit van het Noordzeegebied tot in Spanje en van Marokko tot in zuidelijk Azië. Ook in Afrika ten zuiden van de Sahara ligt een belangrijk winterverblijf. De hier overwinterende watersnippen komen vermoedelijk uit Oost-Europa.
In de nazomer en herfst passeren watersnippen uit centraal en Noord-Europa ons land, een deel trekt dan door naar andere winterverblijven.

Het voedsel bestaat in hoofdzaak uit ongewervelde dieren die worden verzameld op natte bodem of in ondiepten. Door met de snavel in een halve cirkel de bodem af te tasten; soms tot de buik in het water vindt de watersnip zijn prooi. De kop wordt hierbij zo nu en dan tot ooghoogte ondergedompeld. De snavel maakt bij het sonderen zacht trillende bewegingen en wordt regelmatig op en neer bewogen. Klein voedsel wordt doorgeslikt zonder de snavel terug te trekken. Grotere prooien, zoals wormen, worden eerst uit de bodem getrokken, heen en weer geslagen en gewassen alvorens te worden verorberd. Het voedsel zoeken vindt voornamelijk in de avond- en ochtendschemering plaats. Op het menu staan insekten, zoals vliegen, kevers en mieren. Daarnaast wormen, bladeren, wortels en stengels van grassen en zaden.

Het nest wordt verborgen in korte vegetatie zoals graspollen en biezen, het is een ondiep kuiltje dat door het vrouwtje met fijn gras wordt bekleed. De 2-5 eieren worden 18-20 dagen bebroed. Er is één legsel, hoewel sommigen vermoeden dat er een tweede is. Bij zo verborgen levende dieren als de watersnip is vaak veel van het gedrag niet precies bekend. Na het uitkomen van de jongen, dat 1 tot 2 dagen duurt, worden deze verdeeld over de beide ouders waarbij het mannetje kennelijk voor de oudere kuikens zorgt. Na 10-20 dagen zijn de jongen vliegvlug.

De territoriumroep van het mannetje is een aanhoudend “chip-per chip-per”, ook wel weergegeven als “tsjik-ke tsjik-ke”. Bij het rond circelende of dalende mannetje maken de buitenste staartveren een “blatend” geluid. Indien opgejaagd, wordt de zigzagvlucht begeleid door een raspend “retsj”of “skèèp”.